
Zwembad-, wellness- en zwemvijverbouwers komen uit heel verschillende beroepsdisciplines. Ook hun kennis van elektriciteit loopt daardoor sterk uiteen. Toch krijgt vrijwel elke zwembadbouwer vroeg of laat te maken met een storing in de schakelkast. Manuel Martinez, docent elektrotechniek aan UFA Pierrelatte, expert en lid van CNEPS, zet de basisprincipes op een rij.
Meer dan een aan-uitknop
We vertrekken van een eenvoudige eenfasige schakelkast van 230 V voor filtratie en verlichting. Die kast schakelt de pomp en de schijnwerpers aan en uit, maar haar belangrijkste taak is bescherming. Ze beschermt mensen en eigendommen tegen brand, explosie, elektrocutie, overbelasting en kortsluiting. Daarvoor zorgen vier onderdelen: de schakelautomaat, de zekering, de differentieelschakelaar en de aarding.
Wat houden die gevaren precies in? Bij overbelasting vraag je meer stroom van een installatie dan ze aankan, bijvoorbeeld wanneer een kabel te dun is voor de stroom die erdoor moet. Een kortsluiting ontstaat wanneer de fasegeleider per ongeluk in contact komt met de neutrale geleider of met de aarding. Dat veroorzaakt een zeer krachtige stroomstoot. Bij elektrocutie loopt er stroom door een persoon, via een zogenaamde lekstroom.
Het juiste meetinstrument
Om een storing op te sporen, heb je een elektrische stroomtester nodig. Die hoeft niet afgesteld te worden: zodra er spanning is, lichten de ledjes op. Je meet telkens tussen de fasegeleider en de neutrale geleider. Daarbij zijn er drie mogelijke uitkomsten. Zie je niets, dan is er geen spanning en zit je met een stroompanne. Licht het rode lampje op, dan is er een probleem met de neutrale geleider. Geeft de tester een waarde aan, dan staat er spanning op het circuit. Bij een goed werkende installatie is dat 230 V.
De basisaanpak: stap voor stap volgen
Het principe achter elke zoektocht is eenvoudig. Je volgt de stroom van de voeding naar het toestel en meet telkens voor en na elk onderdeel. Waar de spanning wegvalt, zit de fout.
Controleer wel eerst of de installatie echt ingeschakeld is. Anders ben je op zoek naar een storing die niet bestaat. Zet de schakelkast in manuele bediening en zorg dat de tijdsklok de pomp aanstuurt, en dus niet op nul staat.
Wanneer de pomp niet draait
In het stroomcircuit van de pomp loopt de stroom van de schakelautomaat via de contactschakelaar naar de pomp. De contactschakelaar is daarbij de sleutel. Pas wanneer hij aantrekt, of ‘vastzit’, maakt hij contact en krijgt de pomp stroom.
Trekt de contactschakelaar aan en draait de pomp toch niet, dan zit het probleem in de stroomtoevoer. Meet aan de voeding en na de contactschakelaar. Staat er aan de voeding wel 230 V en daarna niet meer, dan is de contactschakelaar defect.
Trekt de contactschakelaar niet aan, dan ligt de oorzaak in de sturing. Meet dan of de contactschakelaar zelf 230 V krijgt op zijn stuuraansluitingen. Krijgt hij wel spanning maar trekt hij toch niet aan, dan is de contactschakelaar stuk. Krijgt hij geen spanning, dan volg je de fasegeleider terug richting schakelaar en voeding, terwijl je de andere meetpen op de nulleider houdt. Vind je ergens verderop wel 230 V, dan is de kabel tussen dat punt en de contactschakelaar onderbroken of is een van de aansluitingen defect.
Wanneer de verlichting uitvalt
Een storing aan de zwembadverlichting opsporen is doorgaans nog eenvoudiger. Schijnwerpers werken meestal op 12 V, via een transformator die 230 V omzet naar 12 V. Zet de verlichting aan en meet aan de uitgang van die transformator.
Meet je daar 12 V, dan werkt de schakelkast naar behoren. Het probleem zit dan in de kabel naar de verlichting of in de schijnwerper zelf. Controleer in dat geval of de stroom aankomt in de verbindingsdoos aan de zwembadrand.
Meet je geen 12 V, dan zit de fout in de schakelkast. Volg de 230 V-voeding van de transformator terug naar boven en meet stap voor stap tot je opnieuw spanning vindt. Staat er bijvoorbeeld wel 230 V op de kabel die de schakelaar binnenkomt, maar niet erna, dan is de schakelaar defect.
Storing gevonden? Eerst de stroom eraf
Voor je aan de reparatie begint, schakel je altijd de stroom uit. Beveilig de installatie bij voorkeur tegen herinschakelen, bijvoorbeeld met een hangslot. Controleer daarna met je tester of er echt geen spanning meer op de kabels staat. Gebruik ook de auto-testfunctie van je stroomtester om na te gaan of het toestel zelf goed werkt. Pas dan ben je zeker dat je veilig kunt werken.